1000 jaar geleden hadden in Europa voorchristelijke stammen oorspronkelijk een godinnencultuur - een matriarchaat waar de aarde en de natuur en hun cycli en geheimen werden vereerd. In pre-industriële samenlevingen werd ziekte niet gezien als een 'willekeurige aanval van buitenaf', maar als een ingrijpende gebeurtenis in het leven die integraal deel uitmaakt van het hele wezen van de patiënt - spiritueel, moreel, fysiek en levensloop - verleden, heden en toekomst. Ongemak werd geïnterpreteerd als vol met morele, spirituele en religieuze boodschappen als een van de vele manieren waarop 'God zijn wil aan de mensheid openbaarde'. Andere filosofieën van de geneeskunde, zoals de Ayurvedische of Tibetaanse, denken op dezelfde manier, hierin heeft ziekte een karmisch aspect. Rond de tiende eeuw werden in Europa - na de zogenaamde 'donkere middeleeuwen' - vrouwen, de oorspronkelijke beheerders van het land (mannen "veeteelt"), het onteigend door de nieuwe patr...